“Goed zo, fijn dat jij alvast begint.” Nog voordat de leerkracht is uitgesproken, klinkt ergens achter uit de klas: “Nouuuu… good boy hoor.” De klas gniffelt.

Het kind dat net een compliment kreeg, kijkt snel naar beneden. En wat opvalt: de volgende keer steekt hij misschien nét iets minder enthousiast zijn vinger op. Veel leerkrachten herkennen dit soort momenten. Een kind doet iets positiefs, helpt, werkt mee, houdt zich aan afspraken, en krijgt vervolgens commentaar van klasgenoten. Niet openlijk gemeen, vaak verpakt in humor of sarcasme. Maar onder die opmerking zit iets belangrijks verstopt: groepsdynamiek. En wij maar “waarderend leren kijken” promoten vanuit Klasse(n)Kracht 😃

Het gaat meestal niet over dat ene kind

Wanneer kinderen “good boy”, “slijmbal” of “braaf hoor” zeggen, lijkt het alsof ze reageren op het gedrag van één leerling. Maar eigenlijk zegt zo’n opmerking vaak meer iets over de groep dan over het kind zelf. In iedere groep ontstaan namelijk onzichtbare regels, wat wij ook wel het onderwaterprogramma van de groep noemen. Er ontstaan ‘regels’ over:

  • wat stoer is,
  • wat normaal is,
  • wat status oplevert,
  • en welk gedrag je beter niet te veel kunt laten zien.

In sommige klassen levert positief gedrag status op. Kinderen helpen elkaar, doen mee en waarderen inzet. Maar in andere groepen kan juist afstandelijkheid, stoer gedrag of weerstand meer aanzien geven. En dan wordt “braaf” gedrag spannend. Niet omdat het verkeerd is, maar omdat het afwijkt van de groepsnorm.

Positief gedrag kan sociaal risico worden

Dat klinkt misschien vreemd. We willen kinderen toch juist leren om verantwoordelijkheid te nemen, elkaar te helpen en afspraken na te komen? Zeker. Maar kinderen zijn óók voortdurend bezig met hun plek in de groep. Vooral in de midden- en bovenbouw wordt de sociale veiligheid steeds belangrijker:

  • Hoor ik erbij?
  • Hoe kijken anderen naar mij?
  • Ben ik nog “cool genoeg”?
  • Loop ik risico om buiten de groep te vallen?

Wanneer een leerling dan zichtbaar positief gedrag laat zien, kan dat voelen alsof hij zich buiten de groep plaatst. Alsof hij dichter bij de leerkracht staat dan bij de klasgenoten.

En precies daar ontstaat soms dat spottende:

  • “Good boy.”
  • “Lievelingetje.”
  • “Meneertje perfect.”
  • “Braaf hoor.”

Eigenlijk zegt de groep dan: “Doe niet té netjes. Blijf wel één van ons.”

Humor als sociale correctie

Opvallend is dat dit soort opmerkingen vaak grappig gebracht worden. Met een lach. Een overdreven stemmetje. Alsof het “maar een grapje” is. Maar humor is in groepen regelmatig een manier om gedrag bij te sturen. Kinderen testen ermee:

  • Wat mag hier wel?
  • Wat levert status op?
  • Wie bepaalt de norm?

Dat betekent niet dat kinderen bewust gemeen zijn. Vaak hebben ze zelf niet eens door wat ze doen. Ze reageren op de onzichtbare onderstroom in de groep. En juist daarom is het belangrijk dat leerkrachten verder kijken dan alleen de losse opmerking.

Onderwaterprogramma

Wat gebeurt er onder water?

Als dit soort reacties regelmatig voorkomen, is het goed om nieuwsgierig te worden naar het groepsproces. Bijvoorbeeld:

  • Is positief gedrag zichtbaar veilig in deze groep?
  • Durven kinderen verantwoordelijkheid te nemen?
  • Mag je hier serieus zijn?
  • Of moet alles “grappig” blijven?
  • Welke kinderen hebben veel invloed op de norm?
  • Waar levert status eigenlijk iets op?

Want wanneer kinderen elkaar afremmen op positief gedrag, ontstaat er vaak een lastige dynamiek: leerlingen gaan zich aanpassen aan wat sociaal het veiligst voelt. En dan zie je soms dat:

  • kinderen minder initiatief nemen,
  • minder snel helpen,
  • zich kleiner maken,
  • of positief gedrag juist verbergen.

Niet omdat ze het niet willen, maar omdat erbij horen belangrijker voelt.

Wat helpt als leerkracht?

De neiging kan zijn om meteen te reageren met: “Nou, hij doet tenminste wél goed mee.”

Begrijpelijk. Maar daarmee vergroot je soms onbedoeld juist het contrast tussen het “brave” kind en de rest van de groep. Vaak helpt het meer om te werken aan de groepsnorm zélf.

  1. Maak gewenst gedrag groepsgedrag

Niet: “Wat fijn dat jij als enige rustig werkt.”

Maar bijvoorbeeld: “Steeds meer kinderen helpen elkaar op gang. Of: “Ik zie dat we samen sneller kunnen starten.”

Zo voorkom je dat positief gedrag gekoppeld wordt aan één leerling die eruit springt.

  1. Benoem de onderstroom zonder te beschuldigen

Je kunt gedrag bespreekbaar maken zonder kinderen af te rekenen. Bijvoorbeeld:
“Soms lijkt het alsof behulpzaam zijn hier een beetje spannend is.”
of:
“Ik merk dat er snel grapjes komen wanneer iemand iets serieus doet.”

Dat haalt het uit de persoonlijke sfeer.

  1. Onderzoek met de groep welke normen er leven

Kinderen zijn zich vaak nauwelijks bewust van groepsdruk totdat je het zichtbaar maakt.

Mooie vragen kunnen zijn:

  • Wat voor gedrag krijgt hier aandacht?
  • Wanneer vinden we iemand stoer?
  • Is aardig zijn hier makkelijk of lastig?
  • Mag je fouten maken?
  • Mag je ook enthousiast zijn?

Juist zulke gesprekken helpen groepen groeien in bewustzijn.

Kinderen willen erbij horen  

Dat is misschien wel het belangrijkste om te onthouden. Achter zo’n “good boy”-opmerking zit vaak onzekerheid. Kinderen zoeken continu naar balans tussen:

  • zichzelf zijn,
  • én erbij horen.

En precies daarom is groepsvorming zo belangrijk. In een veilige groep hoeven kinderen niet te kiezen tussen: “erbij horen” of “het goede doen”. Dan kan positief gedrag normaal worden, zonder sociaal risico.

En misschien is dát wel de mooiste graadmeter van een gezonde groep:
dat kinderen elkaar niet kleiner hoeven maken wanneer iemand iets goeds doet. 
Met een Verschillige groet,
Jelly