De Superdagmeter: van corrigeren naar leren
(En waarom hij juist in de stormingfase zo waardevol kan zijn)
“Hij háát het stoplicht,” zei een leerkracht me laatst. “En eerlijk gezegd… ik ook een beetje.”
Ze vertelde over een jongen die bij elk rood licht zijn schouders ophaalde. “Zie je wel, ik kan het toch niet goed doen,” mompelde hij. En daar stond ze dan, met haar stoplicht en haar goede bedoelingen. Het raakte me. Want dit is precies waar het misgaat als we systemen gebruiken om gedrag te corrigeren, in plaats van om het aan te leren
De Superdagemeter maakt zichtbaar wat al in de groep leeft.
Wat is de Superdagmeter?
Binnen de RESPECT-aanpak gebruiken we soms de Superdagmeter. Een hulpmiddel dat bestaat uit zeven kaarten met daarop de woorden: Super – Wow – Goed – Klaar? -Start! – Je kan het – Niet opgeven – Jammer.
De meter is ooit bedacht door Mariska Meijer samen met haar vso-mlk-klas. De kinderen waren kritisch op de meter waarbij je alleen stappen naar beneden kon maken. Dat vonden ze niet eerlijk. En zo ontstond er dit!
Op de kaart Klaar? -Start! zitten wasknijpers met de namen van de kinderen. Je gebruikt hem alleen als je werkt aan een specifiek groepsdoel. Gaat het goed, dan groei je omhoog.
Wordt het lastig, dan zak je een trede. Maar let op: de Superdagmeter is géén beloningssysteem en ook géén strafsysteem. De kracht zit niet in het klimmen of dalen, maar in het leren herkennen en herstellen van gedrag.
De stormingfase: waar gedrag onder druk komt te staan
In de eerste weken van het schooljaar bouw je samen met de groep aan de basis.
De missie, de bouwstenen, de routines. En dan. zo rond week twee tot vier, breekt het los.
De stormingfase. De fase waarin rollen worden verdeeld, de hiërarchie zich vormt, en grenzen worden opgezocht. In die periode is de groepsnorm nog kwetsbaar.
Leerlingen testen: hoe ver kan ik gaan? Hoor ik erbij? Wat moet ik doen om invloed te krijgen?
Juist in deze fase kan de Superdagmeter helpend zijn. Niet als corrigerend stoplicht, maar als gezamenlijke routekaart. Een manier om zichtbaar te maken: dit is het gedrag dat we met elkaar willen leren, en zó helpen we elkaar om dat vol te houden. Wanneer een leerling even “zakt”, stel je de vraag:
“Hoe kan ik jou helpen om weer omhoog te gaan?”
Dat ene zinnetje verandert alles. Je straft niet, je begeleidt. Je erkent de strijd van de stormingfase, en je biedt richting.
Corrigeren of leren?
Zoals Van Overveld (2019) beschreef, is het risico van gedragssystemen name and shame:
kinderen krijgen in het bijzijn van anderen bevestigd dat ze ‘niet deugen’. Dat doet iets met hun zelfbeeld én met de groepsdynamiek. Een negatieve aanpak – zoals het klassieke stoplicht – leidt vaak tot meer signaalgedrag. Kinderen die al moeite hebben met zelfregulatie, voelen zich erdoor afgewezen. En juist zij hebben begeleiding nodig. Een collega verwoordde het treffend in een mail: “Het vraagt veel van een leerkracht om consequent op gedrag te reageren. Als ik hier ook nog aan moet denken, word ik helemaal gek.”
Ik begrijp die zorg heel goed. Want ja, consequent reageren vraagt iets van je. Maar laten we eerlijk zijn: niet reageren of alleen maar negatief reageren vraagt nog véél meer. Er kan hierdoor ook een negatief energieveld in je klas ontstaan. Kinderen gaan zich aan elkaar ergeren en dat levert op de langere termijn alleen maar meer negativiteit op.
Het mooie van de Superdagmeter is dat hij je helpt om gericht te reageren. Niet op alles, niet op elk mini-gedrag, maar op het gedrag dat jullie samen als groep hebben gekozen om te oefenen. Dat is het verschil tussen slaaf van je systeem zijn en regisseur van het proces.
De kracht: leren kiezen
De Superdagmeter nodigt leerlingen uit om bewust te kiezen. Als een kind zakt, vraag je:
“Wat kun jij doen om weer omhoog te gaan?” Kinderen leren dat gedrag een keuze is — en dat ze zich altijd kunnen herstellen. Dat maakt het systeem zo krachtig. Het werkt alleen als je als leerkracht neutraal blijft. Niet boos, niet veroordelend, maar nieuwsgierig. Als het niet werkt, ga dan samen met de klas in gesprek: past dit bij ons? En als het niet passend is: Wat helpt wél om ons groepsdoel te halen?
Zo gebruik je de Superdagmeter goed
✅ Gebruik hem bij één concreet groepsdoel.
Bijvoorbeeld: “We luisteren naar elkaar als iemand praat.”
✅ Bespreek de bedoeling met de klas.
De meter is er om te leren, niet om te straffen.
✅ Blijf neutraal.
Niet belonen of afrekenen, maar helpen reflecteren.
✅ Onderzoek wat eronder ligt als een leerling steeds zakt.
Gaat het over status, over gezien worden, of over vaardigheden die nog ontbreken?
✅ Vier kleine stapjes vooruit.
Kinderen willen graag omhoog — help ze ervaren dat dat lukt.
✅ Stop als het niet past.
Als de groep stress ervaart, kies een ander middel. De meter is een hulpmiddel, geen doel op zich.
Gedrag als groeiproces
De Superdagmeter past mooi bij de gedachte dat gedrag niet zwart-wit is. Het is een groeiproces, vol kansen om opnieuw te kiezen. In de stormingfase, waarin spanning en strijd voelbaar zijn, biedt de meter structuur én perspectief: “Je bent niet vastgezet op je gedrag.
Je mag oefenen, vallen en weer omhoogklimmen.” Dat maakt het niet alleen een instrument voor de leerlingen, maar ook een anker voor jou als leerkracht. Een herinnering dat leren ook voor volwassenen geldt: we hoeven niet alles perfect te doen, maar we mogen wel bewust kiezen wat we wíllen versterken.
Als jij positief bent over het inzetten van de Superdagmeter, zou je me dat willen vertellen? Het lijkt me leuk om de ervaringen weer in een ander blog te delen met jullie.
En: Gebruik jij de superdagmeter nog niet in de klas? Download ‘m dan hier>>>
Mocht je je afvragen hoe dit past in de RESPECT-aanpak, zie ook hst 6 in mijn boek Klasse(n)Kracht met RESPECT voor de klas.
Met verschillige groet,
Jelly