Als één kind het gevoel heeft dat anderen het verpesten: wat kun je als leerkracht doen?

Agelopen week ontving ik twee mailtjes die raakvlakken met elkaar hebben. Beide afkomstig van ouders die zich zorgen maakten over de aanpak in de klas. Samengevat gaat het over leerlingen die het er niet mee eens zijn dat de groepsbeloning gemist wordt door dezelfde kinderen: 

“We missen steeds de beloning door dezelfde kinderen…
En als ik probeer hen te helpen, luisteren ze niet.
En dan zeggen jullie dat wij elkaar moeten helpen…
Maar hoe dan?!”

 

Misschien herken jij dit ook wel. Dat je ziet dat er spanning in de groep ontstaat omdat sommige kinderen altijd ontzettend goed hun best doen en zich houden aan de afspraken en een paar kinderen dat niet doen. Er kunnen verschillende redenen zijn waardoor “steeds dezelfde” kinderen zich niet houden aan de gemaakte afspraken. Denk aan: 

  • alle kinderen begrijpen wat het doel is
  • de groep voldoende vaardigheden heeft
  • er recht wordt gedaan aan verschillen
  • de druk niet te groot wordt

Want anders gebeurt precies dit:

De harde werkers voelen zich tekortgedaan, en de kinderen die worstelen voelen zich schuldig of haken af. En dan ontstaat er precies wat je níet wil: “De groep redt het niet door hen.” Dat is pedagogisch gezien een gevaarlijke dynamiek. Kinderen leren dan eerder wijzen dan dragen. Uitgangspunt is: we zijn een groep en we hebben een missie: we willen het fijn hebben met elkaar, en nu komen we hobbels tegen. Is er sprake van sabotage gedrag? 

Wat is sabotagegedrag eigenlijk?

Je ziet het in kleine, ogenschijnlijk onschuldige vormen: grapjes die nét even te lang doorgaan, werk dat vertraagd wordt, zuchten, oogrollen, fluisteren, roddelen of ondertoontjes, “per ongeluk” niet luisteren, tegenwerken of openlijk werk weigeren.

Iedereen saboteert weleens, meestal op momenten waarop je het nut niet meer ziet of je niet gehoord voelt. Dat geldt voor kinderen net zo goed als voor volwassenen. In de situatie van bovenstaande uitspraak van M. zie je dit prachtig terug. Zijn frustratie, “we missen beloningen door anderen”, kan bij hem of bij andere kinderen uitmonden in precies die kleine sabotage: er thuis over klagen, meedoen met gemopper, afhaken, tegenwerken, cynische grapjes.

Onderwaterprogramma

Wanneer ontstaat sabotagegedrag?

Volgens Deep Democracy ontstaat sabotage vaak wanneer iets niet gehoord, niet gezien of niet erkend wordt. Het verdwijnt onder water en zoekt daar zijn eigen weg. In de situatie van M. zou het zo kunnen zijn dat:

  • hij zich onmachtig voelt
  • hij zich verantwoordelijk voelt voor het gezamenlijke resultaat 
  • hij zich zorgen maakt om de groep 
  • hij zich gefrustreerd voelt

Dit zou ertoe kunnen leiden dat hij hier over moppert met zijn vrienden, of zijn beklag doet thuis aan de keukentafel of niet meer met deze kinderen wil samenwerken etc. En het zou kunnen zijn dat zijn frustratie en gevoelens van onmacht onder water blijft. Maar wat onder water zit, wil een uitweg naar boven. En dat is vaak gedrag, geen woorden.

Wat speelt er onder de waterspiegel van deze groep?

De vraag die je je hier kunt stellen is: Wat vertelt dit gedrag mij over wat er onder de waterspiegel leeft? Bij M. (en meerdere leerlingen) kan dat bijvoorbeeld zijn:

  • angst om beloningen te missen
  • loyaliteit aan het groepsdoel
  • een te groot verantwoordelijkheidsgevoel
  • irritatie richting een paar klasgenoten
  • het gevoel dat “de groep lijdt onder enkelen”

En bij de kinderen die gedrag laten zien dat wat “de beloning kost”?

  • worstelen ze met zelfsturing?
  • begrijpen ze de afspraken nog niet?
  • ervaren ze druk van de groep?
  • spelen er rollen of posities in het sociogram mee?

Sabotage is nooit “zomaar gedrag”. Het is een signaal. Het is een uitvergroting van iets wat nog geen plek heeft gekregen. Wat kun je doen?

Gesprek op voeten: een krachtige interventie 

Een gesprek op voeten is een gespreksvorm afkomstig uit Deep Democracy waarbij je lopend door de ruimte met elkaar in gesprek gaat. Het is een gesprek waarbij je je uitdrukt in woorden, maar ook door te bewegen. 

Stel dat je een gesprek voert met de klas over de vraag: vinden we dat iedereen in onze klas op dezelfde manier behandeld moet worden. Je zegt tegen de leerlingen: Als je er iets over wilt zeggen doe je een stap naar voren. Jij als leerkracht komt naast de leerling staan. De leerling geeft zijn mening. Je herhaalt in je eigen woorden nog een keer wat de leerling gezegd heeft en je vraagt aan de groep: Iedereen die dit ook vindt mag erachter komen staan. De uitnodiging is dat iedereen zijn gedachten daarover mag geven. Dat je elkaar laat uitpraten en dat er geen discussie is. Jij als leerkracht neemt een neutrale positie in. Je maakt je los van je eigen idee. Je wilt alle invalshoeken op tafel krijgen ook die niet van jou zijn. Als iedereen geweest is vat je samen wat je gehoord hebt. Niet herhalen wat die en die gezegd heeft, maar je benoemt alleen de gedachten, gevoelens, meningen etc. die voorbij zijn gekomen. 

Het doel is om zoveel mogelijk verschillende invalshoeken omhoog te halen. Dit doe je door als leerkracht de vraag te stellen: En wie ziet het anders? Zo ga je verder. Op deze manier kun je in een korte tijd horen wat er allemaal leeft rondom en onderwerp. 

gesprek op voeten

Hoe kun je het aanpakken?

Je kunt bijvoorbeeld starten met een stelling zoals:

  • “Ik vind het frustrerend als we door anderen de beloning missen.”
  • “Ik voel dat wij soms verantwoordelijk worden gemaakt voor gedrag van anderen.”
  • “Ik vind dat iedereen gelijk behandeld moet worden.”

Je nodigt kinderen uit een stap naar voren te doen. Jij staat naast hen, je spiegelt wat je hoort en zegt: Wie dit herkent mag achter [naam leerling] komen staan. Daarna kun je vragen: wie vindt iets anders? Laat deze leerling naar voren stappen, zeggen wat hij te zeggen heeft. Spiegel wat je hoort en zeg: Wie dit herkent mag achter [naam leerling] komen staan. Dit herhaalt zich zo een paar keer. Jij kunt ook naast een leerling gaan staan en de vraag stellen: Wat vind jij van deze stelling? Laat weten dat ze mogen wisselen van mening. 

Zo kan er van alles boven tafel komen:

  • boosheid
  • teleurstelling
  • onmacht
  • zorgen
  • wensen
  • overtuigingen

En daarmee wordt het onderdeel van het groepsbewustzijn. Wat onder water zat, wordt zichtbaar.
En wat zichtbaar wordt, kan gereguleerd worden.

Op het moment dat alle kinderen achter een mening, opvatting staan kun je benoemen dat dit blijkbaar iets is waar we het allemaal mee eens zijn. 

Tips

Als je voor het eerst een gesprek op voeten doet zou ik je adviseren om een eenvoudig onderwerp te kiezen. Op deze manier leer je met elkaar de werkvorm kennen. Naarmate je meer ervaring opdoet kun je het verder uitbouwen. 

Benoem dat het helemaal oké is om verschillende meningen te hebben. Dat dit betekent dat je open staat voor mening van anderen en dat er meerdere perspectieven zijn om naar een situatie te kijken. 

Nu weet je wat er leeft in de groep. En alles wat gezegd is, is nu onderdeel van het groepsbewustzijn.

Bijvoorbeeld ‘wat vind jij van de sfeer van de groep’ of als je een missie hebt gemaakt ‘hoe zorgen we ervoor dat we het goed hebben met elkaar?’ Elke vraag die betrekking heeft op de sfeer in de groep of hoe er met elkaar omgegaan wordt is goed. 

Met een verschillige groep,

Jelly.

Goed nieuws!!!!

27 januari 2026 starten we een nieuwe opleidingsgroep 💃🏼 in Lelystad

Wil jij ook graag Specialist Klasse(n)Kracht worden?

Er zijn nog 3 plekken beschikbaar!